aarde
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈardə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (astronomie) de wereld, de bewoonbare planeet van ons zonnestelselDe aarde is de derde planeet van de zon.
- de grond waarin de planten groeienIn de tuin lag een hoop aarde.Zij deed er water in en toen allerlei geheimzinnige kruiden, een beetje aarde, glanzende stenen, mossen en planten.
- een goed geleidende verbinding tussen een elektrisch apparaat en de aardeHet apparaat had een goede geleiding met de aarde.
- een van de vier traditionele elementenAarde is naast vuur, water en lucht een van de vier traditionele elementen.
Etymologie
* In de betekenis van ‘grond’ voor het eerst aangetroffen in 901
Uitdrukkingen
- boven aarde staan — nog niet begraven
- de dampkring van de aarde — aardatmosfeer
- in goede aarde vallen — goed opgenomen worden
- ter aarde bestellen — begraven
- hemel en aarde bewegen — alles doen om iets te bewerkstelligen
Vertalingen
EngelsEarth, earth, soil
Fransterre
DuitsErde, Erde, Erdatmosphäre
Spaanstierra, tierra
Italiaansterra
Portugeesterra
Russischземля, земля
Turksdünya
PoolsZiemia, ziemia
Zweedsjorden
Deensjorden
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek