bol

mannelijk (de)/bɔl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. wiskunde (wiskunde) (o.a. stereometrie) driedimensionaal lichaam, begrensd door een gebogen oppervlak waarvan alle punten even ver verwijderd zijn van het middelpunt, sfeer
  2. min of meer rond voorwerp
    Bovenop de mast was een bol bevestigd, waarop je moest proberen te blijven staan.
    De meester van Trail Magic was Coppertone, die ik meer dan acht keer ben tegengekomen tussen Mexico en Canada. Hij reed in zijn camper naar het noorden en dook op de gekste plekken op. Hij deelde dan zijn befaamde root-beer-float Trail Magic uit: een wonderlijk Amerikaans gerecht dat bestond uit een bolletje vanille-ijs in een plastic bekertje met root-beer (een soort ginger ale).
  3. biologie (biologie) bolvormig, vlezig, onderaards plantendeel in schubben of rokken opgehoopt waar gestopt in de grond een plant uit groeit, bloembol
    De bollen moesten in oktober in de grond geplaatst worden.
  4. spreektaal, informeel (spreektaal) (informeel) hoofd [1],
    Hoe haal je het in je bol om die kast weg te geven!
  5. rond brood met bolle bovenkant
    Kun jij even wat volkoren bolletjes bij de bakker halen?
  6. (f)/(m) heer, baas

Etymologie

* [6] Herkomst: Bargoens , verkort uit "bolleboos".

Uitdrukkingen

  • (om een zeil) bol staan

Vertalingen

Engelssphere, convex
Franssphère, convexe
DuitsBall, Kugel, Blumenzwiebel
Spaansesfera, globo, bola
Italiaanssfera
Portugeesbola, esfera
Turkskonveks, dışbükey
Zweedssfär, glob
Deensbold, kugle, kugle