hemel

mannelijk (de)/ˈheməl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. lucht, onmetelijke ruimte die overal op aarde bovenaan zichtbaar is
    Een strakblauwe hemel domineert in het blikveld, het is alsof de sparren respectvol uit zicht blijven. De weldaad van een kale vlakte volgt.
    Met mijn luchtbed op het grondzeil kroop ik mijn slaapzak in en keek omhoog naar de sterren in de hemel.
  2. religie (religie) de gelukzalige toestand of plaats waar God verblijft of de goden verblijven, waar mensen na de dood heen kunnen gaan
    Hij stapt over het lijk heen, nog steeds gebukt, je weet eigenlijk niet waarom je dat doet, want kogels vang je overeind net zo goed op als gebogen, maar het is een reflex om ze zo min mogelijk houvast te bieden, alsof je de hele tijd bang bent voor de hemel als je oorlog voert. {{Aut|Lemaitre, Pierre
  3. figuurlijk (figuurlijk) een zeer aangename plek of toestand
    Het kunnen ontmoeten van je held is de hemel
    De hemel van de zomer verjaagt het zuur van de stad, zong Charles Trenet al: 'Wij zijn gelukkig, Route Nationale 7.'
  4. baldakijn

Etymologie

:Oost: : himins

Uitdrukkingen

  • hemel en aarde bewegenalles doen om iets te bewerkstelligen
  • iets of iemand de hemel in prijzenzeggen dat iets of iemand heel goed is
  • de sterren van de hemel zingenheel goed zingen
  • als donderslag bij heldere hemelheel onverwacht

Vertalingen

Engelssky, heaven
Fransciel, paradis, ciel
DuitsHimmel, Himmel
Spaanscielo, firmamento, cielo
Italiaanscielo, paradiso
Portugeescéu, céu, paraíso
Russischнебо, небо
Japans空, 天国
Koreaans하늘, 하늘, 하늘나라
Arabischجنّة
Turksgökyüzü, cennet
Poolsniebo, niebo, raj
Zweedshimmel, himmel