lucht
mannelijk/vrouwelijk (de)/lʏxt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (natuurkunde) mengsel van gassen waaruit de atmosfeer bestaatHet apparaat gaf aan dat de lucht niet schoon was.Bijna iedereen ter wereld woont op plekken waar de lucht te vies is.[https://www.nrc.nl/nieuws/2025/03/11/slechts-zeven-landen-wereldwijd-voldoen-aan-richtlijnen-voor-schone-lucht-a4885877 www.nrc.nl (11 mrt 2025)]
- (astronomie) hemel, uitspanselDat kwam waarschijnlijk omdat je in de woestijn altijd alles om je heen kon zien, maar ook doordat ik uit het vlakke Nederland kom, waar ik gewend ben aan weidse landschappen met vergezichten en hoge luchten.
- geur, stank
Etymologie
* In de betekenis van ‘gasmengsel van zuurstof en stikstof’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Uitdrukkingen
- een gat in de lucht springen
- De kou is uit de lucht — De gespannen sfeer is weg, de sfeer is gemoedelijker
- In de lucht vliegen — Exploderen, ontploffen
- Beter één vogel in de hand dan tien in de lucht — Kleine concrete resultaten zijn beter dan grootse plannen
- Elkaar de lucht geven — Elkaar enige ruimte geven, elkaar iets gunnen (in gesprekken, onderhandelingen e.d.)
- Ergens lucht van krijgen — Ergens van de op de hoogte geraken, iets in de gaten krijgen
- Er is geen vuiltje aan de lucht — Er is niets aan de hand, er is geen enkel probleem
- Onweer zuivert de lucht — Een goed gesprek kan veel onderlinge spanning, irritatie e.d. wegnemen
Vertalingen
Engelsair, odor, odour
Fransair
DuitsLuft
Spaansaire, olor
Italiaansaria
Portugeesar
Russischвоздух
Chinees空氣, 空气
Japans空気
Koreaans공기
Turkshava
Poolspowietrze
Zweedsluft, atmosfär
Deensluft
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek