bodem
mannelijk (de)/ˈbodəm/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een onderkantDe bodem van de emmer is lek.Maar om te zorgen dat de boog niet instortte in de harde wind moest je een vakwerk van hout en planken bouwen dat vanaf de bodem van het dal omhoogging — er waren enorme hoeveelheden hout nodig om de ondersteuning sterk genoeg te maken.
- de grondDe bodem raakte hierdoor verontreinigd.
- (scheepvaart) een schipIn de haven lag een vloot van meer dan dertig Engelse bodems.
- de grond die normaliter de water bedekt isHet schip ligt op de bodem van de rivier.Het was raar te merken dat ik tijdens het zwemmen hoogtevrees had: het water was zo helder dat ik de bodem 15 meter onder me duidelijk kon zien.Die bezwering was een van de redenen dat hij liever in een eenvoudig ongeverfd houten huis bij de bouw was gaan wonen dan bij de andere ingenieurs in het Centralhotellet in Kramfors, hij wilde in de buurt van het gedreun van de heimachine zijn wanneer de boomstammen in de bodem van de rivier werden gedreven.
- het meest fundamentele van ietsAdvocaat Van Tilborg wist zich duidelijk geen raad met deze constatering en zei dat deze zaak in een andere procedure tot de bodem moet worden uitgezocht.
- het begin, de basis van waaruit men verder kan werkenDat had de bodem gelegd voor de welstand, om niet te zeggen overvloed, van de voltallige familie voor de nabije toekomst.
Etymologie
* In de betekenis van ‘grond’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1260
Uitdrukkingen
- Alle hoop de bodem in (laten) slaan — door iets geen enkele hoop meer (laten) hebben
Vertalingen
Engelsbottom
Spaansfondo, suelo
Poolsdno, gleba, ziemia
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek