spitsboef

mannelijk (de)/ˈspɪtsbuf/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een sluwe boef
    Maar wanneer een spitsboef als Sam Klepper een ereronde door de stad krijgt, mag iedereen die Danny Tomson lief had voor mijn part De Kuip een uurtje claimen. Volkskrant Bart Jungmann 13 november 2000
  2. kwajongen, een grote schelm
    ‘Ooit zal uw reportage tegen mij worden gebruikt, Martin. De beelden van mijn landhuisje zullen de fiscus irriteren. In Terzake en aanverwante programma's zullen ze worden opgevist om te insinueren wat voor een poenpakker, oplichter en spitsboef ik eigenlijk wel ben. Maar het kan mij niet schelen. Weet je waarom? Omdat ik niet wil wijken voor kleingeestige sentimenten als afgunst en leedvermaak.' de Standaard 10 DECEMBER 2011 JO VAN DAMME

Etymologie

* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘grote schelm’ voor het eerst aangetroffen in 1787

Vertalingen

Engelsrascal