schoft

mannelijk/vrouwelijk (de)/sxɔft/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. hoogste deel van de rug tussen de schouderbladen, van viervoetige dieren
    De grootte van een paard wordt aangegeven in de hoogte van de schoft.
zelfstandig naamwoord
  1. scheldwoord (scheldwoord) iemand (over het algemeen van het mannelijk geslacht) die zich door bepaalde gedragingen bij de spreker gehaat maakt
    Die vuile schoft!

Etymologie

*[B] Van het Nederduitse schofft, schufft ("roofridder"), waar ook schavuit van is afgeleid. In de betekenis van ‘gemene vent’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1690

Vertalingen

Engelswithers, bastard, blackguard
Fransgarrot, goujat
DuitsWiderrist, Schuft
Spaanscruz, canalla
Italiaansgarrese
Portugeescernelha
Poolskłąb