ploert

mannelijk (de)/plurt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheldwoord (scheldwoord) schoft [B], schurk [1], verdorven iemand
    Die ploert heeft haar bedrogen.

Etymologie

* In de betekenis van ‘patser, gemene kerel’ voor het eerst aangetroffen in 1896

Vertalingen

Engelscrook, scoundrel, scumbag
Spaansbellaco, bribón, canalla