schurk
mannelijk (de)/ˈsxʏrᵊk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (scheldwoord) persoon die kwaad in de zin heeft en/of bedrijftDie hele regering bestaat uit dieven, schurken en oplichters!De waarheidscommissie die nu was begonnen zou niet alleen onschuldige slachtoffers van de politieke processen van een kwade tijd vrijspreken. Ze zou ook schurken brandmerken en niet alleen Tsjecho-Slowaakse schurken.
- (in afgezwakte betekenis) een ondeugend iemand, m.n. een kindWat een kleine schurk ben jij toch!
Etymologie
*Van "Schurke". In de betekenis van ‘boef’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1701
Vertalingen
Engelsvillain, rogue
Fransscélérat
DuitsSchurke, Gauner
Spaanscanalla, bribón, bellaco
Italiaanscanaglia, furfante, mascalzone
Russischзлодей, негодяй, мерзавец
Japans悪人, 悪党, 悪漢
Zweedsskurk, bov
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek