schobbejak

mannelijk (de)/ˈsxɔbəˌjɑk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheldwoord (scheldwoord) verdorven, doortrapt, slecht persoon
    Die vuile schobbejak!
  2. kleding (kleding) variant van de maliënkolder waarbij in plaats van ringetjes metalen plaatjes waren opgenaaid op een leren jak.

Etymologie

* Leenwoord uit het Nederduits, in de betekenis van ‘schurk’ voor het eerst aangetroffen in 1619

Vertalingen

Engelscriminal