schobbejak
mannelijk (de)/ˈsxɔbəˌjɑk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (scheldwoord) verdorven, doortrapt, slecht persoonDie vuile schobbejak!
- (kleding) variant van de maliënkolder waarbij in plaats van ringetjes metalen plaatjes waren opgenaaid op een leren jak.
Etymologie
* Leenwoord uit het Nederduits, in de betekenis van ‘schurk’ voor het eerst aangetroffen in 1619
Vertalingen
Engelscriminal
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek