booswicht
mannelijk (de)/'boswɪxt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (scheldwoord) iemand die zich kwaadaardig gedraagt
Etymologie
* In de betekenis van ‘schurk’ voor het eerst aangetroffen in 1401
Vertalingen
Engelsrogue
Fransmalfaiteur
DuitsBösewicht
Spaansmalvado, villano
Zweedsbov
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek