uitdijen

/ˈœydɛiə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) meer of groter worden, toenemen
    De beverstand zal de komende jaren verder uitdijen door projecten die de rivieren en beken meer ruimte geven.
  2. erga (erga) in omvang toenemen, aangroeien
    Einstein ging ook uit van een statisch heelal, maar uit zijn algemene relativiteitstheorie bleek onomstotelijk dat het heelal moest uitdijen of ineenstorten.
    Vanuit de ruimte komen beelden door die bevestigen wat de wervelende vogels en rennende geiten al lijken te weten, namelijk dat deze tyfoon voeding genoeg heeft gevonden om op topsnelheid uit te dijen tot een doorsnee van bijna vijfhonderd kilometer.
  3. erga (erga) dikker worden, opzwellen
    Laat het licht langzaam uitdijen zodat het je hele kamer vult.
  4. refl (refl) zich ~ in omvang toenemen
    Het tekort op de begroting heeft zich alsmaar uitgedijd.

Vertalingen

Engelsgrow, increase, enlarge
Duitsanschwellen, wachsen, ausdehnen