groeien
/ˈɡrujə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (erga) groter worden; toenemen in aantalDe economie is de laatste tijd weer een beetje gegroeid.En toen ik naar de eerste training in het Sportpalatset ging, nam Tage Lind- 185 strôm mijn tijd op voor de vijfentwintig en vijftig meter vrije slag, ik was op beide afstanden een stuk sneller geworden. Dat kwam natuurlijk niet alleen door de trainingen tussen onze steiger en die van de Von Rosens. Ik was simpelweg gegroeid en sterker geworden.
- ontwikkelenDe dagen daarna sliep ik steeds alleen, en langzaam maar zeker groeide mijn zelfvertrouwen.Wij hebben jullie zo goed mogelijk proberen op te voeden en hebben jullie zien groeien en bloeien.
- (ov) (kristallografie) doen groeienVoor de productie van een geïntegreerd circuit wordt er eerst een groot en in grote mate perfect eenkristal van silicium gegroeid.
Etymologie
* In de betekenis van ‘(in grootte) toenemen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1100
Uitdrukkingen
- met 60.000 groeien
Vertalingen
Engelsgrow
Franspousser, croître
Duitswachsen
Spaanscrecer
Poolsrosnąć
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek