Krimpen
/ˈkrɪmpə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (erga) kleiner in omvang wordenDe bevolking is gekrompen.
- (erga), (kleding) kleiner worden na een wasbeurtDe broek was in de was gekrompen en hij kreeg hem niet meer aan.
- (erga) (scheepvaart) (van wind) geleidelijk van richting veranderen, tegen de wijzers van de klok inOp het noordelijk halfrond gaat de wind krimpen bij het naderen van een lagedrukgebied.
Etymologie
*van Middelnederlands "crempen", in de betekenis van ‘zich samentrekken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287
Vertalingen
Engelsshrink
Fransse rétrécir
Duitsschrumpfen
Spaansencoger, achicarse
Poolskurczyć się
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek