opzetten

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga), in volume toenemen, met name van lichaamsdelen
    Na die bijensteek zette zijn hand flink op.
  2. ov (ov) op touw zetten, oprichten, stichten, vestigen [1]
    Ze hebben een actie opgezet.
    Die stichting is drie jaar geleden opgezet.
  3. ov, kookkunst (ov), (kookkunst) op het vuur zetten (v. voedsel)
    Heb je de aardappels al opgezet?
  4. ov (ov) beginnen lawaai te maken
    Hij zette een keel op alsof hij vermoord werd.
  5. ov, dierkunde (ov), (dierkunde) taxidermie bedrijven
    De door hem gevangen veelvraat werd kundig opgezet.
  6. ov, kamperen (ov), (kamperen) een tent klaarmaken voor gebruik
    De hele tuin was omgetoverd tot een festivalterrein met ruim vijftig tenten die met minder dan een centimeter tussenruimte waren opgezet.
    Toen ik voor de laatste keer mijn tent in de gierende wind en sneeuw opzette, trok ik al mijn natte kleren uit en kroop naakt mijn slaapzak in om weer op temperatuur te komen.
  7. bewust een bepaalde gelaatsuitdrukking tonen
    ' Ik zet mijn professionele gezicht op.

Vertalingen

Engelsswell, stuff
Spaanshincharse, rellenar