rabauw

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. ruw persoon van het minste allooi
    We zeggen: koning Salomon, we zijn het beu geregeerd te worden door uitleggers, prietpraters, omhooggevallen heikneuters of amechtigaards die macht en positie wensen om labiliteiten in hun psychologische evenwicht te herstellen. Wij willen niet langer dat de macht is voor de patsers of de gesofisticeerde rabauwen of de pauwen of de graaiers. de Standaard WOENSDAG 12 APRIL 2017
    De contrecoeur gesupprimeerde annuele anonie van fleemkous Freriks strandt in fikfakken met die rabauw van een omroepgouverneur. Volkskrant 26 mei 2017 uit het (laatste) Grootdictee der Nederlandse taal 2017
  2. soort appel

Etymologie

* uit het Frans

Vertalingen

Engelsgood-for-nothing