rakker
mannelijk (de)/ˈrɑkər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (informeel) ondeugend persoon, iemand die zich vrijpostigheden permitteertDie rakker had weer kattenkwaad uitgehaald.Ze waren een kleine, harde kern van linkse rakkers die oorspronkelijk leerjongens waren geweest van de linkse theoreticus Gotfred Appel en ze hadden al in de vroege jaren zeventig de theorie aanvaard over 'parasietstaten', waarin de arbeidersklasse met behulp van materiële welvaart werd omgekocht tot politieke passiviteit.
- (informeel), (beroep) iemand die bij de politie werkt
Etymologie
*: "rakkeren" zonder de uitgang -en
Vertalingen
Engelsscoundrel
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek