snotneus

mannelijk (de)/ˈsnɔtnøs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. persoon, scheldwoord (persoon) (scheldwoord) jonge onverlaat, iemand die nog niet meetelt
    Ik laat mij door die snotneus de les niet lezen.
  2. medisch (medisch) overmatige productie van vocht door de slijmvliezen in de neusholte
  3. huishouden, historisch (huishouden) (historisch) olielamp met een lange tuit

Etymologie

**[3] omdat de tuit aan een neus doet denken, met de lampolie als snot

Vertalingen

Engelsoaf, snot-nosed, snotnose