belhamel
mannelijk (de)/bɛlhaməl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (dierkunde) een gecastreerd mannelijk schaap dat met een bel om zijn nek vaak de kudde leidtIn de weide stonden enkel belhamels.
- (scheldwoord) ondeugende jongenGa toch weg, stelletje belhamels!
Etymologie
* In de betekenis van ‘aanvoerder’ voor het eerst aangetroffen in 1562
Vertalingen
Engelsbellwether, rascal
Franssonnailler, petit chenapan
DuitsLeithammel, Balg
Spaansmanso, julo, golfo
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek