kanis
vrouwelijk (de)/kanɪs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (f) viskorf met deksel
- (f) marskramersmand
- (f) mandje om vers geplukte kersen, appels of peren in te verzenden
- (m) (anatomie) platte uitdrukking voor:
- hoofd (lichaamsdeel)
- mond
- lichaam (mens)
Etymologie
* In de betekenis van ‘Bargoens: hoofd, kop’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1906
Vertalingen
Engelsnoddle, nut, pate
Franscaboche, gueule, corps
DuitsBirne, Dötz, Rübe
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek