knikker
mannelijk (de)/ˈknɪkər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (speelgoed) balletje van glas, marmer, steen, hout of klei, meestal gebruikt door kinderen om ermee te knikkerenHet jochie had knikkers gejat uit de broekzak van een andere kleuter.Op school baarde het jongetje uit Indië enig opzien, vooral omdat je het niet aan hem kon zien, en ook omdat hij bij het knikkeren niet eenvoudig de knikker in de vuist hield en hem met zijn duim wegschoot, maar met wijs- en middelvinger van beide handen een ingewikkelde lanceerinrichting bouwde van waaruit hij hem wegkatapulteerde.
- iemand die met het hoofd een op- en neergaande beweging maakt (meestal als teken van instemming)
- (informeel), (anatomie) hoofd [1]Hij heeft een kale knikker.
- (zakjeszwammen) een geslacht van schimmels uit de familie
Etymologie
**[1] kan ook als (klanknabootsing) worden opgevat, in de betekenis van ‘glazen of stenen balletje als kinderspel’ voor het eerst aangetroffen in 1599
Uitdrukkingen
- Er is stront aan de knikker. — Er is iets mis, er is iets vervelends aan de hand
Vertalingen
Engelsmarble
Fransbille
DuitsMurmel, Bucker, Knicker
Spaanscanica
Turksbilye
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek