smoel
onzijdig (het)/smul/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (anatomie), (dysfemisme) "kop" [3], "bek" [3]Ick souwje wel goedt koop wat voorje lieghen // langhen,Houwt den smoel toe, of jou backus sal vlieghen // vanghen.
- (anatomie), (dysfemisme) aangezicht"Ik sla je op je smoel!" dreigde hij.
Etymologie
* In de betekenis van ‘bek’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1557
Vertalingen
Franspiehole, margoulette, gueule
DuitsMaul, Fratze, Visage
Spaansjeta, hocico, morro
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek