bek
mannelijk (de)/bɛk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (anatomie) snavel van vogelsDe eenden eten het kroos met hun bek.
- (anatomie) mond van dierenDe hond draagt de puppies in zijn bek.
- (anatomie), (dysfemisme) mond van een mensDe vent heeft een veel te grote bek, hij moet zijn smoel eens houden.
- iets dat qua vorm of beweging overeenkomst vertoont met een bekDe gynaecoloog gebruikt een speculum dat ook wel eendenbek genoemd wordt.
- (werktuigbouwkunde) deel van een bankschroef
Etymologie
* Van het Franse bec, in de betekenis van ‘snavel, mond’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Uitdrukkingen
- breek me de bek niet open
- een grote bek hebben — brutaal zijn
- op je bek gaan — (letterlijk) hard en pijnlijk vallen{{figuurlijk|nld
- zijn bek houden — gedwongen of op uitdrukkelijk bevel zwijgen
Vertalingen
Engelsjaw
Fransbec, gueule, gueule
DuitsSchnabel, Maul, Schnauze
Spaanspico
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek