begerigheid

vrouwelijk (de)/bə'ɣerəxhɛɪt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het heel ergens naar verlangen
    Rik kreeg weer een wilde blik in zijn ogen. Hij kuste Marjoleins borsten met een begerigheid alsof hij de Internationale in zijn eentje tweestemmig zong.
  2. iets waar men heel erg naar verlangt

Etymologie

* afleiding van begerig

Vertalingen

Engelsvoracity, greediness, avidity