ambras

mannelijk (de)/ɑm'brɑs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. toestand waarin mensen boos op elkaar zijn en vervelend tegen elkaar doen
    Zoals toen een nietsvermoedende mevrouw op een stukje gras naar de koers stond te kijken, terwijl de renners als geschrokken ratten aan alle kanten langs haar heen de hoek om glipten en De Cauwer op eigen houtje wat doorfantaseerde over de echtelijke loopgravenoorlog die dat zou opleveren. “Vanavond patatten met ambras.” HP de Tijd FRANK HEINEN 2 APR 2018 [https://www.hpdetijd.nl/2018-04-02/niki-terpstra-liefde-voor-de-koers/ Niki Terpstra en de liefde, de liefde voor de koers]
    Overbuur Waqar Maanood, uitbater van de Night Shop, weet nog altijd niet goed wat hem overkwam. ‘Ik stond iets na middernacht met vrienden te praten bij de winkel toen hij vanop zijn balkon begon te roepen. Daarna stormde hij agressief en duidelijk onder invloed naar beneden en kwam hij ambras maken. Wij zijn rustig gebleven.’ De Standaard 01/08/2018 Joerie Dewagenaere [http://www.standaard.be/cnt/dmf20180801_03643379 Kortrijks gemeenteraadslid gaat door het lint: ‘Als je Pakistaans of Afrikaans bent, dan ben je een stuk stront voor mij’]

Etymologie

* uit het Frans