ruzie

vrouwelijk (de)/ˈryzi/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. toestand waarin men in conflict is met anderen
    Zij kregen ruzie en keerden elkaar woedend de rug toe.
    Dan komen er chips of pinda's in een bakje, en aanvankelijk zijn de jongens heel blij, maar dan kan het ook gebeuren dat er een paar minuten later ruzie is, zo vertelt de dominee. Tubantia 08-11-07 [https://www.tubantia.nl/almelo-e-o/basisscholen-westerhaar-vieren-dankdag~ac2c5c7a/ Basisscholen Westerhaar vieren Dankdag]
    Een moeder voor me trok woedend aan de bovenarm van haar kind, een stel maakte ruzie over het menu en een getatoeëerde man stond luid te bellen.

Etymologie

* In de betekenis van ‘twist’ voor het eerst aangetroffen in 1644

Vertalingen

Engelsquarrel, row, fight
Fransdispute
DuitsStreit
Spaanspelea, riña