adventskalender
mannelijk (de)/ɑtˈfɛntskaˌlɛndər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (kerst) de kalender bestaat vaak uit een platte kartonnen doos waarin 24 genummerde vakjes zijn aangebracht, elk nummer staat voor een datum van 1 tot 24 december, elke avond mag in de adventstijd een vakje met de juiste datum geopend worden en het daarin gevonden snoepje is dan van jou
Vertalingen
Engelsadvent calender
Franscalendrier de l'avent
DuitsAdventskalender
Spaanscalendario de adviento
Italiaanscalendario dell'avvento
Portugeescalendário de natal
Poolskalendarz adwentowy
Zweedsadventskalender, julekalender, julkalender
Deensadventskalender, julekalender
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek