adventskaars

mannelijk/vrouwelijk (de)/ɑt'fɛntskars/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. elk van de vier kaarsen in de adventskrans die men aansteekt in de periode voor het kerstfeest
    Een kaars die in verband gebracht wordt met Gods beloften. Het is een terugkeer naar het Oude Testament. In Drachten werd het zo weergegeven: „Opnieuw werden we in afwachting van het Heilsfeit verblijd door het aansteken van een adventskaars...”