adventief
mannelijk (de)/ɑtfɛnˈtif/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- toevallig ergens gekomen zonder dat daar natuurlijke oorzaken voor zijnMaar overal schiet toch van alles op wat je niet kent en waarvan je denkt: wat mag dat wezen? Dan laat ik het staan. Blijkt dan vervolgens dat een onbekend adventief Malvaceetje of verdwaald Campanulaceetje jouw klei heeft uitgekozen om daarop zijn bloemenpracht te ontplooien, dan ruk ik het ook in een later stadium niet uit. Al weet je dan welke plantenfamilie je onder handen hebt, je wilt toch ook weten welk genus het is, en liefst zelfs welke soort. Je moet op z'n minst wachten tot de plant bloeit om hem te kunnen determineren. Ik zal u niet vermoeien met de lijst van bijzondere soorten die ik in de loop der jaren op mijn klei heb aangetroffen. Van veel soorten wilt u waarschijnlijk niet eens geloven dat ze zomaar uit het niets opkwamen tussen de prei - die staan in de laatste door Rudi van der Meijden bewerkte druk van de Flora van Nederland allemaal geboekt als 'zeld. tot zeer zeld.' Of 'achteruitgaand', dan wel 'adv. op enkele plaatsen.' NRC Maarten 't Hart 25 september 1998
- (biologie) uitheemse plant, dier of ander organisme die onopzettelijk van elders is aangevoerd
Etymologie
*uit het Latijn
Vertalingen
Engelsalien, adventitious
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek