advent

mannelijk (de)/ɑtˈfɛnt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. religie, kerst (religie) (kerst) een periode van vier weken voor Kerstmis
    Speciaal voor de advent maken we een adventskrans.
  2. religie (religie) de tijd waarin de komst en wederkomst van Jezus Christus worden verwacht

Etymologie

*van Latijn "adventus" "aankomst"

Vertalingen

Engelsadvent
FransAvent
DuitsAdvent
SpaansAdviento
ItaliaansAvvento
PortugeesAdvento
Poolsadwent
Zweedsadvent
Deensadvent