aanloop
mannelijk (de)/ˈanlop/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het op gang komenHij had een lange aanloop nodig, maar toen hij eenmaal aan het werk was ging het vlotjes tot het af was.
- (techniek) het op toeren komen van een aandrijfmotor, machine etc.Een elektromotor heeft maar een korte aanloop maar de inschakelstroom is enorm.
- (sport) een loop of tred voorafgaand aan een sprong, duik, enzovoortHij nam een aanloop en dook het water in.'Trap die deur in heb ik gezegd! Moet ik het soms zelf doen?' Münster nam een aanloop.In plaats daarvan loopt ze naar het raam, ze laat haar opgeheven handen met volle kracht tegen de ruit vallen, kaatst terug en neemt en neemt een nieuwe aanloop, en slaat met twee vlakke handen tegen het glas.
- een inleidingDeze onderhandelingen vormen de aanloop tot de uiteindelijke wereldklimaattop.
- bezoekHet weer was prachtig en er was veel aanloop.
Etymologie
* van aanlopen
Vertalingen
Engelslead-in, running-in, run-up
Fransdémarrage, démarrage, élan
DuitsAnlaufen, Anlauf, Anlauf
Spaansarranque, arranque, arranque
Italiaansrincorsa
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek