aanloop

mannelijk (de)/ˈanlop/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het op gang komen
    Hij had een lange aanloop nodig, maar toen hij eenmaal aan het werk was ging het vlotjes tot het af was.
  2. techniek (techniek) het op toeren komen van een aandrijfmotor, machine etc.
    Een elektromotor heeft maar een korte aanloop maar de inschakelstroom is enorm.
  3. sport (sport) een loop of tred voorafgaand aan een sprong, duik, enzovoort
    Hij nam een aanloop en dook het water in.
    'Trap die deur in heb ik gezegd! Moet ik het soms zelf doen?' Münster nam een aanloop.
    In plaats daarvan loopt ze naar het raam, ze laat haar opgeheven handen met volle kracht tegen de ruit vallen, kaatst terug en neemt en neemt een nieuwe aanloop, en slaat met twee vlakke handen tegen het glas.
  4. een inleiding
    Deze onderhandelingen vormen de aanloop tot de uiteindelijke wereldklimaattop.
  5. bezoek
    Het weer was prachtig en er was veel aanloop.

Etymologie

* van aanlopen

Vertalingen

Engelslead-in, running-in, run-up
Fransdémarrage, démarrage, élan
DuitsAnlaufen, Anlauf, Anlauf
Spaansarranque, arranque, arranque
Italiaansrincorsa