uitloop
mannelijk (de)/ˈœytlop/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het uitlopen
- het geleidelijk aan vaart verliezen en tot stilstand komen
- gelegenheid of mogelijkheid tot uitlopen
- plaats om uit te lopen
- monding
- afvoerbuis
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek