visite
mannelijk/vrouwelijk (de)/viˈzitə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (formeel) bezoek (van personen bij elkaar in het bijzonder van een patiënt bij een arts)
- de personen die op bezoek zijn
Etymologie
*van het Frans
Vertalingen
Engelsvisit
Spaansvisita
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek