zwiepen
/xxxx/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) veerkrachtig doorbuigen en weer terugspringenHet kind zwiepte heen en weer op de trampoline.Omdat het bemoste stenen pad glad was, liep ik ernaast, op het natte, harde jonge gras, zwaaiend met de lege ketel om de regendruppels uit het hoge siergras te zwiepen.
- (ov) iets snel verplaatsenDe man werd door de golf tegen de mast gezwiept.
Etymologie
*afgeleid van zweep
Vertalingen
Engelssway, swing
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek