zwieping
vrouwelijk (de)/ˈzwipɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bouwkunde) een schuingeplaatste lat die twee onderdelen in onderling loodrechte stand houdtDeze verbinding wordt ook verkregen door de zwiepingen welke tegen de steigerpaal en den kozijnstijl gespijkerd zijn.
- (techniek) afwijking door doorbuigen
Etymologie
* van zwiepen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek