zwiep

mannelijk (de)/zwip/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. zwaai, draai
    Hij gaf een zwiep aan de volumeknop van de radio en reed plankgas weg
    Plotseling lag ik plat op mijn rug doordat mijn buren me met een zwiep van de hooibaal hadden geduwd.

Etymologie

*: "zwiepen" zonder de uitgang -en