zwiep
mannelijk (de)/zwip/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- zwaai, draaiHij gaf een zwiep aan de volumeknop van de radio en reed plankgas wegPlotseling lag ik plat op mijn rug doordat mijn buren me met een zwiep van de hooibaal hadden geduwd.
Etymologie
*: "zwiepen" zonder de uitgang -en
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek