zoemer
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een apparaatje dat een signaal afgeeft in de vorm van een zoemend geluidToen de zoemer ging was het examen afgelopen en leverden de leerlingen zuchtend hun werk in.
Etymologie
* van zoemen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek