witz
mannelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- grappige opmerkingMark Rutte schatert het uit na een opmerking van Willem-Alexander, die zelf op zijn voeten op en neer veert – tevreden over de geslaagde witz.Met een snelle witz over zetelverlies kon hij de gespannen sfeer even breken, en werd er zelfs gelachen.
Etymologie
* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘grap’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1840
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek