aardigheid

vrouwelijk (de)/'ardəxhɛɪt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het prettige, het bevallige
    Wij kregen de verzekering dat het geheim bewaard zou blijven, maar de man leek versuft, en hoewel wij terugkeerden naar ons „toneel", was de aardigheid er eigenlijk af.
  2. grapje
  3. kleine lieve verrassing
  4. eigenaardigheid (Vlaams)

Etymologie

*Afgeleid van aardig

Vertalingen

Engelspleasure, fun
Franspleasanterie, plaisir
DuitsFreude
Spaansgracia, lindeza, gentileza