lieftalligheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. heel fraai qua uiterlijk en vooral ook qua innerlijk (met name van vrouwen en kinderen)
    Op het portret dat de van oorsprong Nederlandse Peter Lely in 1648 van haar maakte, is ze de lieftalligheid zelve. Maar praat de huidige bezoekers en medewerkers van Ham House in Richmond, waar ze woonde en waar het schilderij nog altijd hangt, er niet van.

Etymologie

* afleiding van lieftallig

Vertalingen

Engelssweetness, amiability