aantrekkelijkheid

vrouwelijk (de)/anˈtrɛkələkˌhɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bekoorlijkheid, attractie
    ' Hij keek me strak aan en het viel me op dat zijn knappe verschijning in het daglicht niet aan aantrekkelijkheid inboette, maar veeleer nog geaccentueerd werd.
    Mijn bekoorlijkheden waren er niet op achteruit gegaan door mijn bevallingen; ik geloof eerder dat ik in aantrekkelijkheid had gewonnen.

Etymologie

*Afgeleid van aantrekkelijk