grap
mannelijk/vrouwelijk (de)/ɣrap/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- verhaal dat of handeling die erop gericht is om de lachlust op te wekkenHij haalde een kostelijke grap uit.’Wie weet er een mop?’ riep een aarzelende stem. Een voor een begonnen we grappen en verhalen met elkaar te delen om de moed erin te houden.Zit ik nu de clou van een intens slechte grap te vertellen? Terwijl er een jong meisje gaat sterven aan een tennisbal in haar kop? Een kind nog dat mijn schaamhaartjes telde met haar tong.
Etymologie
* In de betekenis van ‘kwinkslag’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1761
Vertalingen
Engelsjoke
Fransblague, plaisanterie
DuitsScherz, Spaß
Spaanschiste, broma
Zweedsskämt, skoj, vits
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek