uitrusting
vrouwelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (militair), (scheepvaart) de beschikbaar gestelde voer-, vlieg- of vaartuigen, bewapening, gereedschappen en hulpmiddelen, om een taak uit te voerenDe uitrusting van de expeditie was ontoereikend, het gestelde doel werd niet bereikt.Stap voor stap kon ik nalezen hoe zij haar Amerikaanse visum had geregeld, welke telefoonprovider het meest geschikt was en welke uitrusting ze had aangeschaft.Toch was het alsof hij iets uit zijn jeugd opnieuw beleefde, maar deze keer met een betere uitrusting.
- een gespecialiseerde sport- of werkkledingset met beschermstukken voor lichaamsdelen, zoals een helm, masker, vest of scheenbeschermer. Gebruikt bij sporten door bijvoorbeeld een keeper (bij voetbal zijn er keepershandschoenen), iedere ijshockeyspeler (zie ijshockeyuitrusting), of bij ordehandhaving zoals de oproerpolitie (die bijvoorbeeld een wapenstok of oproerschild gebruikt)
- alles wat nodig is voor een reis of verblijf elders, zoals duikuitrusting of kampeeruitrusting
- (techniek) équipage, gereedschap
Vertalingen
Engelsequipment
Franséquipement, matos
DuitsAusrüstung
Spaansequipo
Zweedsutrustning
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek