slimheid

vrouwelijk (de)/ˈslɪmhɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de eigenschap van een persoon n.l. dat deze intelligent, vindingrijk maar ook geslepen is
    "De keeper mag die pass prima geven, al was hij wat zacht. Maar je kunt dan als verdediger ook die bal aanvallen, of de tribune in trappen, of sneller anticiperen. En als je dan voelt dat de aanvaller in het voordeel is, moet je zeker van hem afblijven. Dat zijn cruciale dingen. Het heeft met slimheid te maken. Dat weet Menno ook. Hij is één van onze meest ervaren spelers, dus dit mag hem eigenlijk niet gebeuren. Het snijdt je adem af, want de tactiek klopt wel."de Telegraaf 22 okt. 2017
    Buiten het algemeen klassement van de Tour de France is er voor journalisten en tourvolgers ook een onderlinge competitie. De wedstrijd ’Wie heeft vandaag het éérst een tafeltje op een goed lunchadres?’ heeft te maken met slimheid en tourervaring.de Telegraaf TONNY EYK 15 jul. 2017
    Vogelslimheid komt uit een compact brein: Per gram bevatten vogelhersenen veel meer zenuwcellen dan zoogdierhersenen. Hoe slimheid vleugels kreeg.NRC 14 juni 2016

Etymologie

* afleiding van slim

Vertalingen

Engelsbrightness, cleverness, smartness