sluwheid

vrouwelijk (de)/ˈslywhɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. zaken die voortkomen uit geslepen zijn
    Zijn mooie praatjes bleken alleen maar sluwheden te zijn.
  2. het sluw zijn
    De sluwheid van de bedrieger was verpakt en schone praaktjes.

Etymologie

* afgeleid van sluw