sluwheid
vrouwelijk (de)/ˈslywhɛit/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- zaken die voortkomen uit geslepen zijnZijn mooie praatjes bleken alleen maar sluwheden te zijn.
- het sluw zijnDe sluwheid van de bedrieger was verpakt en schone praaktjes.
Etymologie
* afgeleid van sluw
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek