slaperigheid
vrouwelijk (de)/ˈslapərəxˌhɛit/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het gevoel slaperig te zijn, afwezig zijn met gedachtenDe slaperigheid was hem duidelijk aan te zien.
- de neiging te gaan slapenHij was zijn slaperigheid nauwelijks de baas.
Etymologie
*Afleiding van slaperig .
Vertalingen
Engelsdreaminess, sleepiness
Franssomnolence, sommeil
DuitsVerschlafenheit, Schlafbedürfnis
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek