slapeloosheid

vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. psychologie, medisch (psychologie) (medisch) een slaapstoornis, het niet kunnen slapen
    Dat het hier en daar een beetje pijn deed, had niets met de slapeloosheid te maken, ik had het wel erger meegemaakt.

Etymologie

*afgeleid van slapeloos

Vertalingen

Engelssleeplessness, insomnia
Fransinsomnie
DuitsSchlaflosigkeit
Spaansdesvelo, insomnio
Deenssøvnløshed