slapen

/ˈslapə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. biologie (biologie) in een toestand verkeren waarbij de ademhaling dieper en trager verloopt, en de hartslag trager, en er minder energie wordt gebruikt
    Zij slapen goed de laatste tijd.
    Zij zullen met z'n allen gaan slapen in dat kleine hutje.
    `Onze gasten kunnen gerust slapen in de wetenschap dat hun vertrekken duchtig worden bewaakt; zei Montebello. `Om zich toegang te verschaffen tot de bovenverdiepingen dient men te passeren tussen de hybride verschijningsvorm van de angst en het verraderlijk spinnende poesje dat voor raadselen stelt, die respectievelijk staan voor het weinig realistische zelfbeeld van de man en het wezen van de vrouw, als u het mij toestaat u te amuseren met mijn dilettantisme op het gebied van de symboliek.
  2. informeel (informeel) (liggen/zitten ~) niet goed opletten, niet alert genoeg zijn
    De Tweede Kamer heeft weer zitten slapen.
  3. elektronica (elektronica) in stand-by verkeren
    Als de computer slaapt, even met de muis bewegen of de "ENTER" toets indrukken.
  4. medisch (medisch) (van ledematen) tintelen nadat er enige tijd geen spieren zijn gebruikt
    Mijn benen slapen.

Etymologie

*(erfwoord) via Middelnederlands """ van Oudnederlands "slapan", in de betekenis van ‘in slaap, rust zijn’ aangetroffen vanaf 901

Uitdrukkingen

  • een gat in de dag slapentot heel laat uitslapen
  • slaapapneu
  • slaapbaas
  • slaapbank
  • slaapbeen
  • slaapbeweging
  • slaapboek
  • slaapbol

Vertalingen

Engelssleep, be asleep
Fransdormir
Duitsschlafen
Spaansdormir
Italiaansdormire
Portugeesdormir
Turksuyumak
Poolsspać
Zweedssova
Deenssove