schimmel
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈsxɪməl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (dierkunde) paardenras met een grotendeels witte vacht met fijne grijze of blauwige tekeningSinterklaas rijdt op een schimmel over de daken.Uw witte schimmel is zwaar ziek, het zal zeker zes weken duren voordat hij weer beter is. En het is het enige paard dat over de daken kan rijden!'‘Ze hebben een temperamentje, net als mijn vrouw!’ Hij aaide de schimmel over zijn neus, die in de handschoen van de man probeerde te bijten.
- (mycologie) zwamsoort of substantie die op dode of levende organismen groeitOp dat blok kaas zit groene schimmel.
Etymologie
* In de betekenis van ‘uitslag door vocht’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1477
Vertalingen
DuitsSchimmel, Schimmel
Spaanscaballo tordo, hongo
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek