retour
/rəˈtur/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (n): kaartje voor heen- en terugreisMag ik twee retourtjes Utrecht?Koop een retourtje naar Bilbao voor rond de 100 euro.
- (m): teruggang, neergangHij is op z'n retour (heeft betere tijden gekend).
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘bijwoord van richting: terug’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1508
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek